Wat er in dit stuk opengaat: Als je op de kans afgaat, kies je vaker het pad dat meestal werkt.
Wat er tegelijk dichtgaat: Als je op de kans afgaat, sta je onvoorbereid op de keer dat het niet werkt.
Een proef in dit spel is eenvoudiger dan hij lijkt. Je gooit een steen met twintig vlakken, je telt er iets bij op, en je vergelijkt het met een getal. Meer is het niet.
Wat het ingewikkeld maakt zijn voordeel en nadeel. Dan gooi je twee keer en telt de hoogste of de laagste. Dat is geen kleine verschuiving: bij een kans van de helft wordt voordeel driekwart en nadeel een kwart. Onze worpboog rekent dat in vierhonderdsten uit, want twintig maal twintig is vierhonderd en dan blijft alles een heel getal.
Wat de boog niet doet, is een oordeel geven over of je moet gaan. Een kans van 85 procent klinkt als een ja, maar de vraag is wat er gebeurt in de vijftien procent. Als het antwoord daarop “dan is de scene weg” is, dan is 85 procent misschien te weinig.
Wij hebben in de boog daarom naast het percentage altijd de vlakken zelf getekend. Twintig vakjes, en je ziet welke er doorheen komen. Dat leest anders dan een getal: bij 85 procent zie je drie vakjes die het niet halen, en drie vakjes zijn moeilijker weg te wuiven dan vijftien procent.
Er zit geen knop op om te gooien. Dat is met opzet. Wie wil gooien, heeft een steen; wie wil weten, heeft een verdeling.